Roemenië heeft nu zelf jeugdzorg

blendle.com
4 November 2016

Roemenië heeft nu zelf jeugdzorg

adoptiestop | Roemeense kinderen waren populair op de adoptiemarkt: zielig en toch niet zwart. Roemenië stopte met internationale adoptie in 2001.

RUNA HELLINGA

BOEDAPEST

Roemenië weet alles van de schaduwzijde van internationale adoptie. Toen begin jaren negentig de beelden de wereld over gingen van naakte, vervuilde en broodmagere kinderen in naargeestige tehuizen, die bezoekers vanuit hun spijlenbed met holle ogen aankeken, voelden vele West-Europeanen en Amerikanen zich geroepen om zo'n kind te helpen.

Inmiddels heeft Roemenië paal en perk gesteld aan het adopteren van zijn kinderen. Een compleet verbod op internationale adoptie heeft niet Otto Sesjaks voorkeur. De directeur van Hope and Homes for Children (HHC) in Roemenië denkt dat er altijd uitzonderingsgevallen blijven waarin adoptie wel de enige oplossing is. "Maar het ontwikkelen van lokale jeugdzorg, zodat kinderen in hun eigen land kunnen blijven, met een beleid gericht op opvang in gezinsverband zoals pleeggezinnen is voor de meeste kinderen echt beter."

Sesjak weet waar hij over praat. De Britse hulporganisatie HHC is in acht landen in Europa en Afrika actief betrokken bij de sluiting van grote kindertehuizen en het ontwikkelen van alternatieve opvang in lokale gezinnen. Vorig jaar ondersteunden sociaal werkers en andere specialisten van HHC internationaal zo'n 160.000 kinderen en de families bij wie ze leven. Daarnaast adviseert de organisatie lokale en landelijke overheden op het gebied van beleidsontwikkeling en wetgeving.

Op zoek naar wortels

Los van de problemen die aan internationale adoptie kleven, zoals kinderhandel, is opvang in eigen land volgens Sesjak in de meeste gevallen simpelweg beter voor de kinderen. "Bij internationale adoptie haal je hen weg uit hun eigen taal en cultuur. Dat is een gemis; het is niet voor niets dat zoveel geadopteerde kinderen later op zoek gaan naar hun wortels. En als een internationale adoptie mislukt, wat vaak genoeg voorkomt, zit je bovendien met het probleem wat er dan met een kind moet gebeuren."

De Roemeense kinderen waren in de jaren negentig niet alleen zielig, ze waren ook licht van huid en ze trokken de belangstelling van ouders die graag wilden adopteren, maar liefst geen zwart kind. Al snel kregen chaos, corruptie, kinderhandel en berichten over moeders die onder druk werden gezet om hun baby af te staan de overhand. Niemand weet precies hoeveel kinderen in die jaren uiteindelijk het land hebben verlaten, maar sommige voormalige medewerkers van de Roemeense adoptieagentschappen houden het op twintig-, mogelijk zelfs dertigduizend.

Daarom werd in 2001 een moratorium op internationale adoptie ingesteld. Potentiële adoptieouders protesteerden daartegen. Op dat moment zaten er nog zo'n 100.000 kinderen in grote, door de staat gerunde kindertehuizen. Wat voor toekomst hadden ze daar?

Die kritiek was begrijpelijk, maar internationale adoptie loste dat probleem natuurlijk hooguit voor een enkel kind op. Hervorming van het systeem was de enige structurele oplossing, en sinds 2000 steekt Roemenië in samenwerking met HHC en andere hulporganisaties veel tijd en geld in het ontwikkelen van alternatieven: pleegouderschap, terugplaatsen bij de ouders of andere familieleden, gezinsvervangende groepswoningen en niet in de laatste plaats het ontwikkelen van sociaal werk dat moet voorkomen dat kinderen in de jeugdzorg terechtkomen. En die aanpak heeft succes.

Voorkomen dat kinderen uit huis geplaatst worden, is het eerste streven. "Zo'n 92 tot 95 procent van alle kinderen in de Roemeense jeugdzorg heeft ouders die hun kinderen hebben afgestaan of zijn kwijtgeraakt als gevolg van armoede en bijkomende problemen. Onder het communisme zagen autoriteiten, maar ook ouders, uithuisplaatsing als de logische oplossing bij gezinsproblemen. Die mentaliteit is nog steeds niet helemaal weg."

Maar het verandert wel, mede dankzij de sociaal werkers die HHC opleidt. "Als je wilt voorkomen dat kinderen in de jeugdzorg terechtkomen, moet je de hele familie helpen voordat het echt misgaat en mensen bijvoorbeeld dakloos worden." Tijdig ingrijpen van sociaal werkers van HHC zorgde er de afgelopen jaren voor dat zo'n kleine 24.000 Roemeense kinderen die vroeger zeker in een tehuis zouden zijn beland, bij hun ouders konden blijven wonen.

Het is een beleid dat zijn vruchten begint af te werpen. Het aantal kinderen in de jeugdzorg neemt af. De afgelopen jaren zijn 52 grote Roemeense kindertehuizen gesloten. Zo'n 5500 kinderen zijn uit een tehuis naar een pleeggezin of zelfs terug naar hun eigen familie verhuisd, en kinderen die ondanks alle inspanningen van sociaal werkers toch uit huis worden geplaatst, gaan tegenwoordig direct naar pleeggezinnen of kleine gezinsvervangende tehuizen. Nog maar 7790 kinderen wonen in een grotere staatsinstelling, en 60 procent van hen heeft een handicap die permanente verzorging vereist. Maar ook zij zullen als het aan Sesjak ligt uiteindelijk naar een pleeggezin of gezinsvervangend tehuis gaan. "Ons streven is dat in 2022 alle grote instellingen in Roemenië gesloten zijn."

Niet iedereen is er overigens van overtuigd dat het nieuwe beleid beter is. Een veelgehoord kritiekpunt is dat pleeggezinnen geen goede opvang bieden omdat ze het alleen maar voor het geld zouden doen.

Sesjak ergert zich daar duidelijk aan: "Natuurlijk moet je die mensen betalen. De meeste pleegouders zijn zelf arm, en kinderen zijn duur. Ze hebben kleren nodig, speelgoed, schoolboeken, dat kost gewoon geld. Maar als je het systeem goed opzet en pleegouders serieus keurt en controleert, dan kun je mensen die het doen om het geld echt wel scheiden van degenen die het geld gewoon nodig hebben om het kind op te voeden."

In de jaren negentig kregen chaos, corruptie en kinderhandel de overhand

Lilliana (links) en Kristina Morim in het Roemeense tehuis waar ze wonen. foto thomas haugersveen, hh

Roemenië heeft nu zelf jeugdzorg

adoptiestop | Roemeense kinderen waren populair op de adoptiemarkt: zielig en toch niet zwart. Roemenië stopte met internationale adoptie in 2001.

RUNA HELLINGA

BOEDAPEST

Roemenië weet alles van de schaduwzijde van internationale adoptie. Toen begin jaren negentig de beelden de wereld over gingen van naakte, vervuilde en broodmagere kinderen in naargeestige tehuizen, die bezoekers vanuit hun spijlenbed met holle ogen aankeken, voelden vele West-Europeanen en Amerikanen zich geroepen om zo'n kind te helpen.

Inmiddels heeft Roemenië paal en perk gesteld aan het adopteren van zijn kinderen. Een compleet verbod op internationale adoptie heeft niet Otto Sesjaks voorkeur. De directeur van Hope and Homes for Children (HHC) in Roemenië denkt dat er altijd uitzonderingsgevallen blijven waarin adoptie wel de enige oplossing is. "Maar het ontwikkelen van lokale jeugdzorg, zodat kinderen in hun eigen land kunnen blijven, met een beleid gericht op opvang in gezinsverband zoals pleeggezinnen is voor de meeste kinderen echt beter."

Sesjak weet waar hij over praat. De Britse hulporganisatie HHC is in acht landen in Europa en Afrika actief betrokken bij de sluiting van grote kindertehuizen en het ontwikkelen van alternatieve opvang in lokale gezinnen. Vorig jaar ondersteunden sociaal werkers en andere specialisten van HHC internationaal zo'n 160.000 kinderen en de families bij wie ze leven. Daarnaast adviseert de organisatie lokale en landelijke overheden op het gebied van beleidsontwikkeling en wetgeving.

Op zoek naar wortels

Los van de problemen die aan internationale adoptie kleven, zoals kinderhandel, is opvang in eigen land volgens Sesjak in de meeste gevallen simpelweg beter voor de kinderen. "Bij internationale adoptie haal je hen weg uit hun eigen taal en cultuur. Dat is een gemis; het is niet voor niets dat zoveel geadopteerde kinderen later op zoek gaan naar hun wortels. En als een internationale adoptie mislukt, wat vaak genoeg voorkomt, zit je bovendien met het probleem wat er dan met een kind moet gebeuren."

De Roemeense kinderen waren in de jaren negentig niet alleen zielig, ze waren ook licht van huid en ze trokken de belangstelling van ouders die graag wilden adopteren, maar liefst geen zwart kind. Al snel kregen chaos, corruptie, kinderhandel en berichten over moeders die onder druk werden gezet om hun baby af te staan de overhand. Niemand weet precies hoeveel kinderen in die jaren uiteindelijk het land hebben verlaten, maar sommige voormalige medewerkers van de Roemeense adoptieagentschappen houden het op twintig-, mogelijk zelfs dertigduizend.

Daarom werd in 2001 een moratorium op internationale adoptie ingesteld. Potentiële adoptieouders protesteerden daartegen. Op dat moment zaten er nog zo'n 100.000 kinderen in grote, door de staat gerunde kindertehuizen. Wat voor toekomst hadden ze daar?

Die kritiek was begrijpelijk, maar internationale adoptie loste dat probleem natuurlijk hooguit voor een enkel kind op. Hervorming van het systeem was de enige structurele oplossing, en sinds 2000 steekt Roemenië in samenwerking met HHC en andere hulporganisaties veel tijd en geld in het ontwikkelen van alternatieven: pleegouderschap, terugplaatsen bij de ouders of andere familieleden, gezinsvervangende groepswoningen en niet in de laatste plaats het ontwikkelen van sociaal werk dat moet voorkomen dat kinderen in de jeugdzorg terechtkomen. En die aanpak heeft succes.

Voorkomen dat kinderen uit huis geplaatst worden, is het eerste streven. "Zo'n 92 tot 95 procent van alle kinderen in de Roemeense jeugdzorg heeft ouders die hun kinderen hebben afgestaan of zijn kwijtgeraakt als gevolg van armoede en bijkomende problemen. Onder het communisme zagen autoriteiten, maar ook ouders, uithuisplaatsing als de logische oplossing bij gezinsproblemen. Die mentaliteit is nog steeds niet helemaal weg."

Maar het verandert wel, mede dankzij de sociaal werkers die HHC opleidt. "Als je wilt voorkomen dat kinderen in de jeugdzorg terechtkomen, moet je de hele familie helpen voordat het echt misgaat en mensen bijvoorbeeld dakloos worden." Tijdig ingrijpen van sociaal werkers van HHC zorgde er de afgelopen jaren voor dat zo'n kleine 24.000 Roemeense kinderen die vroeger zeker in een tehuis zouden zijn beland, bij hun ouders konden blijven wonen.

Het is een beleid dat zijn vruchten begint af te werpen. Het aantal kinderen in de jeugdzorg neemt af. De afgelopen jaren zijn 52 grote Roemeense kindertehuizen gesloten. Zo'n 5500 kinderen zijn uit een tehuis naar een pleeggezin of zelfs terug naar hun eigen familie verhuisd, en kinderen die ondanks alle inspanningen van sociaal werkers toch uit huis worden geplaatst, gaan tegenwoordig direct naar pleeggezinnen of kleine gezinsvervangende tehuizen. Nog maar 7790 kinderen wonen in een grotere staatsinstelling, en 60 procent van hen heeft een handicap die permanente verzorging vereist. Maar ook zij zullen als het aan Sesjak ligt uiteindelijk naar een pleeggezin of gezinsvervangend tehuis gaan. "Ons streven is dat in 2022 alle grote instellingen in Roemenië gesloten zijn."

Niet iedereen is er overigens van overtuigd dat het nieuwe beleid beter is. Een veelgehoord kritiekpunt is dat pleeggezinnen geen goede opvang bieden omdat ze het alleen maar voor het geld zouden doen.

Sesjak ergert zich daar duidelijk aan: "Natuurlijk moet je die mensen betalen. De meeste pleegouders zijn zelf arm, en kinderen zijn duur. Ze hebben kleren nodig, speelgoed, schoolboeken, dat kost gewoon geld. Maar als je het systeem goed opzet en pleegouders serieus keurt en controleert, dan kun je mensen die het doen om het geld echt wel scheiden van degenen die het geld gewoon nodig hebben om het kind op te voeden."

In de jaren negentig kregen chaos, corruptie en kinderhandel de overhand

Lilliana (links) en Kristina Morim in het Roemeense tehuis waar ze wonen. foto thomas haugersveen, hh

Roemenië heeft nu zelf jeugdzorg

adoptiestop | Roemeense kinderen waren populair op de adoptiemarkt: zielig en toch niet zwart. Roemenië stopte met internationale adoptie in 2001.

RUNA HELLINGA

BOEDAPEST

Roemenië weet alles van de schaduwzijde van internationale adoptie. Toen begin jaren negentig de beelden de wereld over gingen van naakte, vervuilde en broodmagere kinderen in naargeestige tehuizen, die bezoekers vanuit hun spijlenbed met holle ogen aankeken, voelden vele West-Europeanen en Amerikanen zich geroepen om zo'n kind te helpen.

Inmiddels heeft Roemenië paal en perk gesteld aan het adopteren van zijn kinderen. Een compleet verbod op internationale adoptie heeft niet Otto Sesjaks voorkeur. De directeur van Hope and Homes for Children (HHC) in Roemenië denkt dat er altijd uitzonderingsgevallen blijven waarin adoptie wel de enige oplossing is. "Maar het ontwikkelen van lokale jeugdzorg, zodat kinderen in hun eigen land kunnen blijven, met een beleid gericht op opvang in gezinsverband zoals pleeggezinnen is voor de meeste kinderen echt beter."

Sesjak weet waar hij over praat. De Britse hulporganisatie HHC is in acht landen in Europa en Afrika actief betrokken bij de sluiting van grote kindertehuizen en het ontwikkelen van alternatieve opvang in lokale gezinnen. Vorig jaar ondersteunden sociaal werkers en andere specialisten van HHC internationaal zo'n 160.000 kinderen en de families bij wie ze leven. Daarnaast adviseert de organisatie lokale en landelijke overheden op het gebied van beleidsontwikkeling en wetgeving.

Op zoek naar wortels

Los van de problemen die aan internationale adoptie kleven, zoals kinderhandel, is opvang in eigen land volgens Sesjak in de meeste gevallen simpelweg beter voor de kinderen. "Bij internationale adoptie haal je hen weg uit hun eigen taal en cultuur. Dat is een gemis; het is niet voor niets dat zoveel geadopteerde kinderen later op zoek gaan naar hun wortels. En als een internationale adoptie mislukt, wat vaak genoeg voorkomt, zit je bovendien met het probleem wat er dan met een kind moet gebeuren."

De Roemeense kinderen waren in de jaren negentig niet alleen zielig, ze waren ook licht van huid en ze trokken de belangstelling van ouders die graag wilden adopteren, maar liefst geen zwart kind. Al snel kregen chaos, corruptie, kinderhandel en berichten over moeders die onder druk werden gezet om hun baby af te staan de overhand. Niemand weet precies hoeveel kinderen in die jaren uiteindelijk het land hebben verlaten, maar sommige voormalige medewerkers van de Roemeense adoptieagentschappen houden het op twintig-, mogelijk zelfs dertigduizend.

Daarom werd in 2001 een moratorium op internationale adoptie ingesteld. Potentiële adoptieouders protesteerden daartegen. Op dat moment zaten er nog zo'n 100.000 kinderen in grote, door de staat gerunde kindertehuizen. Wat voor toekomst hadden ze daar?

Die kritiek was begrijpelijk, maar internationale adoptie loste dat probleem natuurlijk hooguit voor een enkel kind op. Hervorming van het systeem was de enige structurele oplossing, en sinds 2000 steekt Roemenië in samenwerking met HHC en andere hulporganisaties veel tijd en geld in het ontwikkelen van alternatieven: pleegouderschap, terugplaatsen bij de ouders of andere familieleden, gezinsvervangende groepswoningen en niet in de laatste plaats het ontwikkelen van sociaal werk dat moet voorkomen dat kinderen in de jeugdzorg terechtkomen. En die aanpak heeft succes.

Voorkomen dat kinderen uit huis geplaatst worden, is het eerste streven. "Zo'n 92 tot 95 procent van alle kinderen in de Roemeense jeugdzorg heeft ouders die hun kinderen hebben afgestaan of zijn kwijtgeraakt als gevolg van armoede en bijkomende problemen. Onder het communisme zagen autoriteiten, maar ook ouders, uithuisplaatsing als de logische oplossing bij gezinsproblemen. Die mentaliteit is nog steeds niet helemaal weg."

Maar het verandert wel, mede dankzij de sociaal werkers die HHC opleidt. "Als je wilt voorkomen dat kinderen in de jeugdzorg terechtkomen, moet je de hele familie helpen voordat het echt misgaat en mensen bijvoorbeeld dakloos worden." Tijdig ingrijpen van sociaal werkers van HHC zorgde er de afgelopen jaren voor dat zo'n kleine 24.000 Roemeense kinderen die vroeger zeker in een tehuis zouden zijn beland, bij hun ouders konden blijven wonen.

Het is een beleid dat zijn vruchten begint af te werpen. Het aantal kinderen in de jeugdzorg neemt af. De afgelopen jaren zijn 52 grote Roemeense kindertehuizen gesloten. Zo'n 5500 kinderen zijn uit een tehuis naar een pleeggezin of zelfs terug naar hun eigen familie verhuisd, en kinderen die ondanks alle inspanningen van sociaal werkers toch uit huis worden geplaatst, gaan tegenwoordig direct naar pleeggezinnen of kleine gezinsvervangende tehuizen. Nog maar 7790 kinderen wonen in een grotere staatsinstelling, en 60 procent van hen heeft een handicap die permanente verzorging vereist. Maar ook zij zullen als het aan Sesjak ligt uiteindelijk naar een pleeggezin of gezinsvervangend tehuis gaan. "Ons streven is dat in 2022 alle grote instellingen in Roemenië gesloten zijn."

Niet iedereen is er overigens van overtuigd dat het nieuwe beleid beter is. Een veelgehoord kritiekpunt is dat pleeggezinnen geen goede opvang bieden omdat ze het alleen maar voor het geld zouden doen.

Sesjak ergert zich daar duidelijk aan: "Natuurlijk moet je die mensen betalen. De meeste pleegouders zijn zelf arm, en kinderen zijn duur. Ze hebben kleren nodig, speelgoed, schoolboeken, dat kost gewoon geld. Maar als je het systeem goed opzet en pleegouders serieus keurt en controleert, dan kun je mensen die het doen om het geld echt wel scheiden van degenen die het geld gewoon nodig hebben om het kind op te voeden."

In de jaren negentig kregen chaos, corruptie en kinderhandel de overhand

Lilliana (links) en Kristina Morim in het Roemeense tehuis waar ze wonen. foto thomas haugersveen, hh

https://blendle.com/i/trouw/roemenie-heeft-nu-zelf-jeugdzorg/bnl-trn-20161105-7270187