Pure ellende in Roemeense kindertehuizen Door Carine Neefjes correspondent in Den Haag
De zeven dagen die Zef Hendriks in Roemenië doorbracht, vormen voor hem de meest bewogen week van zn leven. De directeur van de Nederlandse adoptie-organisatie Wereldkinderen bezocht er tehuizen waar kleine kinderen wonen. „Ik heb nog nooit zo iets treurigs gezien. Magere, ongezonde kindertjes die nauwelijks speelgoed hebben. Alleen een geel, plastic eendje, dat boven de gammele bedjes hangt. Als het kind zn armpjes uitstrekt, kan het met het beestje spelen".
Hendriks is geschrokken van de situatie in Roemenië. Toen hij vorige week vertrok, was hij tamelijk onverschillig. Gewoon een zakenreisje, dacht hij. Even kijken of Nederlanders ook Roemeentjes kunnen adopteren.
Zo veel ellende bij elkaar, had Hendriks niet verwacht. „Ik ben in vier kindertehuizen in Boekarest geweest. Vreselijk. Kinderen liggen in ijzeren, gespijlde bedden. Het lijkt net alsof ze achter tralies zitten. Matrassen zijn kapot, dekens en lakens zitten vol gaten. Overal ruikt het naar urine. De luiers zijn flinterdun en nemen het vocht niet op. En er is geen zuster die het kind kan verschonen".
„Het ergste is dat kinderen niet kunnen spelen. En dat is juist zo belangrijk voor een kind. Als het niet speelt, zal het later nooit goed terechtkomen. Een kind heeft stimulans nodig. Vergelijk de situatie met een jongere die niet naar school gaat, of een volwassene die nooit werkt: die belanden vroeg of laat ook in de goot".